| Mentoraat bovenbouw |
In de loop van de schoolcarrière van een leerling treedt er een verschuiving op in de relatie tussen mentor en ouders. Zonder verder betoog zal het duidelijk zijn dat het contact met de brugklasleerling anders verloopt dan met een 4e, 5e of 6e klas leerling. De mentoren willen de bovenbouwleerling als een volwaardige gesprekspartner beschouwen met de daarbij behorende eigen verantwoordelijkheid. Het is de taak van de mentor een zo goed mogelijke begeleiding te bieden aan hun mentorleerlingen door hen te laten reflecteren op ontwikkelingen en keuzes op het gebied van de studie, de beroeps- en studiekeuze (in samenwerking met de decaan) en de persoonlijke en sociale ontwikkeling.
We streven ernaar, ook in de bovenbouw een contactmoment voor de mentoren met hun mentorleerlingen in het rooster mogelijk te maken; in principe vindt dit contact plaats binnen de werkcolleges (de zgn. weco).
In de regel bespreekt de bovenbouwmentor zaken in eerste instantie met de leerling zelf; indien nodig en gewenst (en dat is uiteraard vaak het geval) worden ook de ouders erbij betrokken. In het team havo 4/5 vinden standaard driehoeksgesprekken plaats tussen de mentor, de ouders en de leerling.
We gaan er vanuit dat leerlingen van 15 jaar en ouder zelf hun schoolresultaten met hun ouders bespreken. Wèl kan de mentor er zo nodig bij de leerling op aandringen u te informeren. Ook is denkbaar dat mentor en leerling in onderling overleg tot de conclusie komen dat een gesprek tussen bv. mentor, ouders en leerling zinvol is.
Het bovenstaande betekent niet dat ouders zich geremd moeten voelen om met de mentor van hun kind contact op te nemen als er zaken zijn, die ze graag met hem of haar willen bespreken. Daarom is ook nu evenals in de onderbouw een kennismakingsgesprek met de mentor zeker zinvol.
|
|
|
|